In 2018 kreeg Elke een burnout

Het verhaal van Elke

Elke, oprichter van onze praktijk, is mama van 3.
Ze is ook echtgenote van Joris, misschien wel uw vroedvrouw en onderneemster.
Ze houdt van kamperen, canyoning, wandelen, koken en lezen.
3 jaar geleden had ze een burn out. 4 maanden later krabbelde ze overeind.

Ik deel mijn verhaal.
Voor wie er wat aan heeft.

Bij De Wolk werken wij elke dag met mensen in transitie.
Een koppel wordt een gezin. Vrouwen worden mama’s.
Die gast die op café altijd de leukste is, krijgt binnenkort een tweeling.

Het is voor iedereen anders.
Zwanger zijn, bevallen, opvoeden.
Een gezin vormen -in alle mogelijke vormen – en tegelijk onszelf niet vergeten:
Het gaat niet vanzelf.

We gaan op onze bek. We krabbelen weer recht. We proberen het eens anders.
We zoeken. Een gezin word je. Opvoeden moet je leren.

Het is voor iedereen anders en het is voor iedereen hetzelfde.

Wij moedigen mama’s aan open te zijn over wat ze meemaken.
We vragen hen luidop onzeker te durven zijn en met elkaar te praten.
Dat stelt gerust. Daar groeien we van.

Ik was niet altijd vroedvrouw. Ik was niet altijd mama.
Er was niet altijd De Wolk & ik was niet altijd sterk.

Practise what you preach, Elke.
Ik heb besloten mijn verhaal te delen.

Niet om het verhaal op zich, maar om het ‘durven delen’.

Laat ons een boeiend gesprek starten.

DEEL 1. Van Elke naar vroedvrouw

Ik vind vrouwen geweldig. Vrouwen kunnen écht emotie tonen.
Mijn keuze om vroedkunde te studeren, had eigenlijk meer te maken met vrouwen dan met baby’s.

Elke wijze uil was ooit een uilskuiken. Toen ik afstudeerde als piepjonge vroedvrouw was ik dat ook. Na een stage in de eerste lijn, thuiszorg, koos ik voor een job in de tweede lijn oftewel het ziekenhuis.
Ik voelde al snel dat het ziekenhuis geen ideale werkomgeving was voor mij. Er was te weinig tijd, er waren te weinig mensen, er heerste te veel druk. Ik wilde mensen écht kunnen begeleiden. Ik miste de tijd om te kunnen geven wat ik te bieden had.

Ik werkte op palliatieve zorgen. Ik deed dat werk zielsgraag, maar telkens er iemand stierf –en dat durft men op palliatieve als eens te doen, stierf ik een stukje mee.
Ik wist nog niet wat loslaten was. Ik koos nog even voor een andere dienst, maar de vroedvrouw in mij zou zich niet veel langer aan de kant laten zetten.

De mensen die ik mocht verzorgen, gaven me een belangrijke levensles mee.

Maar dat is voor later.

De Bakermat belde. Deze fantastische groepspraktijk zocht een halftijdse kracht.
‘Eindelijk, ik word vroedvrouw. Maar euh..HALFTIJDS?!’
Dit was het werk dat ik dolgraag wilde doen, maar niet het regime dat ik in gedachten had.
Ik was 23, barstte van energie.. Hoezo halftijds?

Een engeltje op mijn schouder in de vorm van mijn man zei:
‘Dit is wat je écht wil. Spring. Go! De rest volgt wel.’

Ik sprong, ik kwam terecht en ik bleef er zeven jaar. Ik leerde gretig en veel.
Bij een herstructurering herkende ik dat oude gevoel dat er ‘aan mijn tijd’ werd gezeten.
Ik kocht die tijd terug als zelfstandige in bijberoep.

Toen ik zwanger werd van mijn jongste zoon, moest ik stoppen bij De Bakermat.
In bijberoep mocht ik wél verder. The lord -of law- works in mysterious ways.
Ik was voor het eerst een soort van zelfstandige.

Nog voor Bas zijn eerste kaarsje uitblies, gaf ik mijn ontslag.
Hallellujah, wat een bevrijding. Als bediende zit je in een bepaald stramien, je hebt ideeën maar je hebt ook je baas. Vanaf nu zou ik de regels schrijven, bepaalde ik de stijl.
Mijn hart was klein maar de goesting was groot.

Het was een fijne dag in mijn leven.

Deel 2. Van vroedvrouw naar zelfstandige vroedvrouw

Mijn eigen zaak, mijn eigen dingetje. Het was een leuke periode.
Ik was Elke, vroedvrouw aan huis. En vroedvrouw op missie, dat ook.

Ik was er voor mijn cliënten. Zeven op zeven, dag en nacht. Continu ‘belbaar’.
Die tijd die ik vroeger had gemist, nam ik nu ten volle.
Een huisbezoek duurde snel anderhalf uur. Daarvoor kreeg ik toen 24 euro.

Tijdens de twee jaar die daarop volgden waren we gelukkig, maar blut.

Er continu zijn voor onze mama’s, een huis bouwen, tijd voor mijn drie kinderen.
Achteraf bekeken heb ik geen idee hoe ik het allemaal deed.

Ik kreeg dankbaarheid en bakken voldoening.

Maar onze lening afbetalen, dat deed toen vooral mijn man.

Ter illustratie: Werd er in die periode naar de dokter gegaan, dan moest het ‘briefke’ meteen binnen.
Er moest tenslotte eten worden gekocht voor de week.

Na zo’n bezoekje aan de huisarts kreeg ik als verdict: Griep, en een week huisarrest.
Je moet begrijpen: Voor een vroedvrouw die alleen werkt, is dat een joekel van een probleem. Wat met de huisbezoeken en check-ups is één ding, maar wat als iemand een dringende vraag heeft, of gaat bevallen, en wat met onverwachte complicaties?
Via een cliënt vond ik Melissa, een jonge vroedvrouw die voor mij wilde invallen.
Melissa was die week mijn redder in nood en bleek ook nog een stageplaats te zoeken voor haar opleiding lactatiekunde. We kropen samen aan tafel en besloten te gaan samenwerken. Onze professionele visie strookte en ook als mens klikte het.

WAT. EEN. AARDVERSCHUIVING.

We sprongen voor mekaar in wanneer nodig en kochten zo allebei wat meer vrijheid.
Ik kon weer vakantie nemen, wetende dat mijn cliënten in goede handen waren.

Ik gaf intussen zwangerschapscursussen. Voor die eerste vijf koppels had ik echt moeten sprokkelen, maar mond-aan-mond reclame deed haar werk. Ik had er hard voor gewerkt, en mijn ‘geesteskindje’ begon goed te lopen. Er was ook nog geen praktijk, er was enkel een kamer in mijn huis, naast de kamers waar mijn zoontjes lagen te slapen.

De beslissing om Melissa ook wat cursussen te laten geven, nam ik dus niet licht.
Als ik erop terugkijk, moet ik erom lachen: Mijn praktijk was echt mijn vierde kind.
Ik zat stijf van de zenuwen aan de deur te wachten, toen Melissa haar eerste cursus gaf.
Ze ‘nailde’ het, uiteraard.

Ik had teveel werk.

Melissa toen nét te weinig om vol voor het zelfstandigenstatuut te gaan.
1 + 1 = 2 en ‘Vroedvrouwenpraktijk Elke Notebaert – Melissa Kemps’ zag het levenslicht.
En wat een gezonde baby. Melissa is de ideale partner voor mij.
Ze durft me afremmen en dat is nodig.

Good times! We deden lange dagen, we werkten keihard, het was gezellig.
We belden mekaar vanuit de auto tussen twee huisbezoeken door, hadden telkens een klankbord, werkten samen ideetjes uit… Onze tandem bolde echt en dat was heel bevredigend.

Op aanraden van een cliënt volgden we loopbaancoaching.
Ik vond dat eerst belachelijk. Ik was tenslotte vroedvrouw en dat was wat ik wilde blijven.

Achteraf ben ik blij dat ik me liet overhalen.
We leerden er interessante nieuwe woordjes zoals ‘begrenzen’ en ‘afbakenen’.
Die woorden zaten tot op dat moment niet in onze vocabulaire. Het besef groeide dat we nog steeds, zeven op zeven, dag en nacht, via allerlei kanalen –telefoon, mail, berichtjes, WhatsApp- bereikbaar waren. Op die manier staat je werkmodus altijd aan.
We leerden dat dit niet voor ons en onze cliënten werkte maar net tégen.
We leerden om het anders te gaan aanpakken.

En we deden dat goed.

Deel 3. Van vroedvrouw naar onderneemster

Met hulp van de loopbaancoach pakten we onze zwakke punten aan.

Melissa en ik hadden geleerd dat we helpers zijn. Het type mens dat heel graag zorgt voor anderen, en te weinig voor zichzelf.

Alles ging eigenlijk wel goed. Enkel: Het werk begon ons langzaam boven het hoofd te groeien. Het was teveel voor vier handen. Het was inbinden of groter worden.

Het was nooit per se de bedoeling geweest om een carrièremadam te worden.

Na de geboorte van elk van mijn kinderen, was ik lange tijd thuis geweest.
Ging dat dan nooit nog eens terugkomen? Die tijd voor het gezin? Voor ‘ons thuis’?
Ik miste tijd met mijn kinderen.

Onze praktijk had anderzijds écht potentieel.
Melissa en ik hadden nog heel wat visie verder uit te werken. De goesting was er om nieuwe dingen op poten te zetten. We wilden alles behalve inbinden, om eerlijk te zijn.

Handen bijzoeken dus. En zo word je een bedrijf.
Net zoals een gezin, moet een bedrijf draaien.
Je bent niet langer verantwoordelijk voor jezelf, maar besluit verantwoordelijkheid te nemen voor de inkomsten van anderen en daarbij dus ook voor huishoudens van anderen. En dat wil je dus verdomme goed gaan doen. En dus was ik bedrijfsleider.

En dat vond ik iets hards. Terwijl: Ik was vroedvrouw, de zachte sector.

De boekhouding lag in een wasmand, geld vragen vond ik iets vies …
Ondernemen ben ik echt moeten gaan leren. Letterlijk. Op een cursus.

Wij hebben heel lang aangerekend wat mensen via het remgeld en de derdebetalersregel konden terugtrekken. Ook al was dat voor onszelf niet 100% fair.
We hebben een heel traject afgelegd om daarvan af te geraken.

We hebben het zelfvertrouwen opgebouwd om een tarief te hanteren waarvan we vinden dat we het meer dan waard zijn. We geloven in wat we bieden en onze cliënten ook. Hun reactie is vaker ‘Huh, is dat alles?’ dan ‘Wauw, dat is veel.’Iets durven aanrekenen, was dus een grote stap vooruit.

We zijn ook onze missie gaan bepalen.
Wie De Wolk kent, weet dat de missie duidelijk is: ‘Want elke mama verdient een vroedvrouw.’ Elke mama. Dat menen we ook. Vaak worden wij gevonden door ouders die ons makkelijk kunnen betalen. We wilden ook ouders bereiken die het -om welke reden dan ook- iets moeilijker hebben. Maar hoe?

‘De geboortelijst! Bijna elke mama legt een geboortelijst.’
Eureka! Daar moeten we zijn! We trokken dus naar baby- en kinderwinkels.
We gaven er workshops, lieten er informatie achter.
Er kroop veel tijd in, maar het werkte. Het draagvlak voor de vroedvrouw werd breder, we zagen dat ook in ons cliënteel.

En onze berg werk oftewel Mount (N)ever(r)est?
Die werd groter en groter…

Deel 4: Van ondernemen naar overdrijven?

Als je een bedrijf opstart, treed je buiten de oevers van je vakgebied.
Naast vroedvrouw, was ik secretaresse, poetsvrouw, HR-verantwoordelijke…

In een tijd waarin sociale media hun plaats in de wereld intussen had veroverd, was onze missie nog steeds: Wij willen zijn waar alle mama’s zijn. En dat was steeds vaker online.
Ik vond dat we daar nodig waren.

Intussen hadden mijn opgroeiende kinderen hun mama steeds harder nodig,
terwijl ik steeds vaker met mijn gsm bezig leek te zijn. Postjes inplannen, reageren, nog snel mijn mails checken… Op vakantie vertrekken werd een helse opdracht. Ik had de dagen voordien enorm veel werk om alles gepland en geregeld te krijgen en zat in de auto nog zolang mogelijk met mijn laptop op de schoot.

Ik was afgevaardigde van de vroedvrouwenkring en vond het daarnaast nodig om actief te zijn in een aantal vakgroepen. Ergens tussendoor hadden we ook nog geheel volgens de missie vroedvrouwpakketten ontworpen. Onder Care for Education hadden we een lijn kant-en-klare pakketten voor collega’s op de markt gebracht. En dat ging goed. We waren op dreef. Hashtags als ikslaapminder werden lachend over en weer gekaatst.

Ik voelde ergens zelf aan dat ik mijn prioriteiten niet helemaal op orde had.
Ooit was er de loopbaancoach, nu werd het tijd voor een ander soort coaching.

Het was de psycholoog die voorstelde: Wat als je nu eens op vakantie gaat zonder je werk?
Die gsm en computer, die gaan niet mee.
Gewoon niet. Ook niet in de auto, of snel even als niemand kijkt. Neen.
Gewoon niet. Hoe leuk zou dat zijn?

Ok. Slik. Niet? Niet…
Challenge accepted. (Zo competitief ben ik dan weer wel.)

We vertrokken op reis. Het was februari 2017.

Joris had een playlist gemaakt met songs uit 1996.

Het jaar van Alanis Morisette, ‘He Jo Captain Jack’ & The Fugees was ook het jaar waarin we elkaar leerden kennen. Het nostalgische lijstje van mijn man brak me open.

Ik voelde heel sterk hoe snel de tijd gevlogen is.

Ik zag mezelf. En wat ik zag, deed pijn.

Wat ik zag was iemand die zich de laatste jaren compleet op haar werk had gestort.
Ik dacht aan alles wat ik de laatste jaren had gemist.

Ik leefde in een door mezelf gemaakte excel-planning en had liever niet dat mijn dierbaren teveel buiten het voor hen voorziene celletje traden. Kwamen er vrienden over de vloer, wilde ik eigenlijk liefst dat ze weggingen: ik had namelijk nog werk.

Wat was er mis met mij? Welk duister gat moest ik zo persé vullen met werk?
Hoe kon ik de essentie zo uit het oog verliezen?
Ik heb heel de rit gehuild.

Deel 5.Vallen

In mei 2018 liep het pas echt fout. Serena, mijn vriendin én collega, moest forfait geven als gastvrouw voor de jaarlijkse studiedag op de Internationale dag van de Vroedvrouw. Ik besloot haar te vervangen en dus de dag aan elkaar te praten.

De dag van de vroedvrouw is een warme dag. We leren er veel, we versterken mekaar.
Er wordt ook een prijs uitgereikt. De Gouden Pinard gaat naar een team én individu wiens verwezelijkingen en inzet volgens de collega’s beloond mag worden.

In 2017 won ik die prijs. Het voelde toen niet helemaal goed, omdat wij naar buiten komen als ‘Vroedvrouwenpraktijk De Wolk’, niet als ‘Elke en De Wolk’. Als er toch prijzen werden uitgedeeld, gaf ik ze liever aan mijn collega’s van de praktijk, of aan mijn man… Ik voelde me er niet helemaal lekker bij.

Na de studiedag, las ik in één van de evaluatiefiches: ‘Deze dame heeft de prijs totaal niet verdiend’. Verdomme. Dat deed pijn. De argumenten die deze collega aanhaalde, stoelden op onjuiste informatie – fake news om het met 2019 te zeggen – en toch: die ene giftige commentaar maakte dat ik ging geloven dat die ene persoon gelijk had.

Het vergde dus moed om een jaar later mijn vriendin te durven vervangen als gastvrouw.
Na afloop van het studiemoment, kregen we zoals steeds de evaluatiefiches.
Ik las: ‘Dit jaar is de Gouden Pinard wel verdiend, vorig jaar niet.’
Opnieuw. Die ene commentaar schoot me voor de tweede keer recht in het hart.
Ik trilde op mijn benen.Die dag sprak ik met niemand, ik wilde naar huis.

Maar dat ging niet. Want er was ook schoolfeest. Ik moést daar geraken.

Ik was van wacht geweest, had keihard gewerkt om alles rond te krijgen en het was gelukt.
Ik was er geraakt. Enfin. Mijn lijf was er geraakt. Ikzelf niet.

Ik was geen mama meer. Ik wrong me in 7000 bochten. Ik wilde er zijn voor mijn cliënten, mijn collega’s, mijn man, mijn familie, mijn vrienden, mijn kinderen, mijn boekhouding, mijn, mijn, mijn…

Toen ik mijn ogen opendeed was het zondag. Ik stond op, kroop naast mijn man en zei: ‘Het is genoeg. Ik kan niet meer. Ik wil niet meer.’ We hebben gepraat. Ik heb gehuild.
We hebben nog gepraat en ik heb nog gehuild.

Deel 6: Het is niet hoe we vallen, wel hoe we weer opstaan

Na een veldslag trekt de rook op. We krijgen langzaam zicht op het slagveld.
Er is accute hulp nodig: Wonden moeten worden verzorgd, brokstukken opgeruimd.

We staan scherp, we gaan in overlevingsmodus.

Daarna begint het echte werk. De heropbouw, de structurele aanpak.
Hoe doen we het beter? We schreeuwen: Nooit meer oorlog.

De crash, die is accuut. Jezelf op non-actief zetten om te bekomend, dat ook.
Daarna moet je zacht leren zijn voor jezelf, en genadeloos tegelijk.
Daarna komt het rapport.

Van mijn man kreeg ik de rauwe, onversneden versie van de feiten.
Hij zei: ‘Je lichaam is er, maar jij niet. Je luistert niet, je hoort ons niet.
Dat je vaak werkt, dat is prima. Dat het nooit stopt, niet.’

Ik ging van Elke naar mama en vroedvrouw. Van vroedvrouw naar zelfstandige vroedvrouw. Van zelfstandige vroedvrouw naar bedrijfsleider. Ik hield zoveel balletjes in de lucht, dat circus Ronaldo me vast wel mee op toernee wilde hebben. Enkel: Mijn oudste, meest vertrouwde balletje, was ergens onderweg gevallen.

Ik merkte het pas toen ik het nodig had. Het balletje ‘Elke’ was kwijt. Ik was mezelf kwijt.

Ik wilde het zo goed doen voor ‘mijn mama’s en baby’s’ dat ik de rest in de steek liet.
Gejaagd en bezig holde ik van hot naar her. Ik reageerde op elke ‘pingetje’ van de gsm, maar mijn persoonlijke alarmbellen hoorde ik niet. Ik rekende op het krediet dat ik had bij vrienden en familie, maar ook dat krediet raakt ooit op.

Op mijn persoonlijke ‘zwarte zondag’ ging ik nog werken. Wat oerkracht en wat extra make up go a long way, dat weten we allemaal. Ik vroeg of ik een maand ouderschapsverlof kon nemen. Mijn collega’s maakten mijn agenda vliegensvlug vrij.
Die maand werden er uiteindelijk vier.

Ik moest onderzoeken wie ik was, aan de basis, onder de vroedvrouw-onderneemster.

Ik zat thuis en daar was ik heel open over. Het was mooi om te zien hoe vrienden en familie er waren, terwijl ik er te weinig was geweest voor hen.

 

Boven alles snakte ik naar tijd met mijn gezin.
Ik wilde inhalen en herstellen wat ik verwaarloosd en beschadigd had.
Ergens stond te lezen dat je als ouder moet weten dat je maximum 18 zomers krijgt met je kinderen.

Achttien jaar is een eeuwigheid maar achttien zomers? Ben ik al over de helft!? Ik wil NU mijn zomers terug!

We gingen samen op fietsvakantie. Ik heb gelachen, gezongen, veel nagedacht en vooral gevoeld dat ik het als mama nog niet verkorven had.
Mijn kinderen durfden me weer knuffelen.
Mijn stekels waren gaan liggen.

Ik vond mezelf ook weer. Met hulp. Ik liet me begeleiden. Een coach gaf me naast inzicht ook concrete tips. Enkele voorbeelden zijn: De bureau vloog uit de woonkamer. De chaos in mijn hoofd, uitte zich in chaos in huis. Dat was iets dat ik al jaren niet opgelost kreeg. Dus ik vroeg hulp en nam een opruimcoach, Uhu, dat bestaat JA.

Ons huis werd weer een thuis.

Ik durfde naar mezelf kijken. Waar krijg ik energie van? Wat moet ik loslaten?

Het en-en-verhaal kon niet blijven duren. Ik stapte uit enkele vakgroepen.
Ik zat thuis, maar ik zat niet onder een dekentje. Ik zocht mijn oude passies op: Ik begon weer met canyoning, ging trampolinespringen en kamperen. Ik had weer aandacht voor de kleine dingen die ons echt maken.
In september begon ik –gewapend met heel wat tips en tricks- weer te werken.

Het is uitdagend, maar het gaat nog steeds goed.

Mijn eerste job was het verzorgen van mensen tijdens hun laatste dagen.
Niemand van hen zei ooit: ‘Had ik maar wat harder gewerkt.’ Integendeel.
Ik hou van mijn werk, uiteraard, maar die les koester ik.

Kwam je me vroeger tegen, zei ik in mijn zachtste vroedvrouwenstem:

‘Hallo, ik ben vroedvrouw.’

Vandaag is dat:

‘Ik ben Elke, ik ben mama van drie fantastische kinderen die ik kreeg met een prachtige man. En ik ben vroedvrouw.’

 

Er zijn veel mensen die ik wil bedanken, ik ga ze niet opnoemen, je weet het wel als jij daar bij bent. Eén persoon verdient een extra dankjewel en dat is Joris, mijn pracht van een man, mijn maatje, mijn beste vriend, zonder hem red ik het niet.